Op 9 januari 1879 stond in een aantal kranten, die toentertijd in Breda en omgeving verschenen, een advertentie waarin de burgerij van de stad opgeroepen werd de volgende dag, de tiende, een algemene vergadering bij te wonen in het "Hof van Holland".

De ondertekenaars waren duidelijk niet tevreden over de schaatsmogelijkheden in en rond de stad, want het doel van de op te richten vereniging werd in de advertentie omschreven als "het verbeteren van de ijsbanen". Het was namelijk begin januari gaan vriezen en de behoefte aan een goede schaatsgelegenheid werd weer dringend.

De vergadering had resultaat. In dezelfde kranten, waarin de oproep was verschenen, werd bekend gemaakt dat er een ijsclub was opgericht ter bevordering van het ijsvermaak en de aanleg van geschikte banen. De jaarlijkse contributie zou vijftig cent bedragen en liefhebbers van de schaatssport konden zich inschrijven bij de vermelde bestuursleden of door in te tekenen op lijsten, die in verscheidene bekende Bredase koffiehuizen waren neergelegd.

Een lang leven was de nieuwe "Bredase IJsclub" niet beschoren. Op tien december 1883, 's middags om drie uur, werd nog een algemene ledenvergadering gehouden, maar na die datum is nergens meer een spoor van de vereniging te vinden. Het is erg verleidelijk te veronderstellen, dat juist vanwege het ter ziele gaan van de eerste ijsclub door andere mensen besloten werd nogmaals, en nu beter, een vereniging ter bevordering van het ijsvermaak op te richten.

De wijze van oprichten vertoonde veel overeenkomst met de voorafgaande. Weer waren het de kranten, die als het publicatiemiddel bij uitstek in die dagen, een ingezonden mededeling bevatte, dat er een "Vereeniging IJsvermaak" was opgericht en weer dienden geïnteresseerden zich in te schrijven bij de bestuursleden of door intekening op lijsten, te vinden in de bekende koffiehuizen. Daar lag ook het reglement ter inzage.

De vraag, die natuurlijk onmiddellijk oprijst is: bestaat er enig aantoonbaar verband tussen de eerste en tweede oprichting. Ja, in zoverre dat de tweede vereniging nodig was omdat de eerste ter ziele is gegaan en een aantal schaatsliefhebbers zich daar niet bij heeft neergelegd. Het antwoord is nee, in zoverre dat de oprichters van het definitieve IJsvermaak totaal andere mensen zijn dan die van de club van 1879. Een mogelijke schakel tussen de twee zou de naam Vermunt kunnen zijn. In 1879 kwam de naam voor, zonder initialen, onder de oprichters. In 1885 stond een Chr. Vermunt vermeld als een van de commissarissen van de nieuwe vereniging. De laatste was logementhouder van de Zwaan in de Boschstraat. Of het om dezelfde persoon gaat is echter moeilijk te achterhalen. Dat IJsvermaak is opgericht in februari 1885 weten we uit de kranten van die dagen. Dat het op vijf februari is gebeurd vinden we terug op de titelpagina van het tweede en derde notulenboek. Voor het overige is er over activiteiten van de vereniging in de eerste jaren na de oprichting weinig of niets te vinden.

De oprichters

Onder de advertentie, die op 15 februari in de Bredasche Courant verscheen, stonden ook de namen van de eerste bestuursleden en commissarissen vermeld. De laatste titel, tegenwoordig bij IJsvermaak niet meer in gebruik, werd gebruikt voor de leden van de commissies, die ieder hun eigen taak hadden. De benamingen spreken voor zich: baancommissie, wedstrijdcommissie, garderobecommissie, buffetcommissie. In totaal werden twaalf personen genoemd, zes bestuursleden en zes commissarissen. Met behulp van het Bredase adresboek was ook na te gaan wat hun beroep was.

Bestuursleden:

  • C.J. Kaub, kapitein bij de veldartillerie voorzitter
  • C.F. Loderer, directeur van de Zuider Stoomtram, secretaris
  • J. Ingen-Housz, geen beroep vermeld, penningmeester
  • H. de Bont, fabrikant, bestuurslid
  • W.Ph. Boogaert, eerste luitenant bij de cavalerie, bestuurslid
  • H.S. Hordijk, tweede luitenant bij de infanterie, bestuurslid

Commissarissen:

  • B.M. de Jonge van Ellemeet, rechter aan de Arrondissementsrechtbank
  • A.W. de Jonge van der Halen, eerste luitenant bij de veldartillerie
  • J.M. Marijnen, stadsarchitect
  • C.M. Taets van Amerongen, geen beroep vermeld
  • CH. Vermunt, logementhouder
  • J. van Voorthuijsen, kapitein bij de infanterie

Aan de lijst van namen te zien was de nieuwe vereniging bepaald geen club voor de gewone man of vrouw of de doorsnee inwoner van Breda. IJsvermaak heeft lange tijd, tot na de Tweede Wereldoorlog, de naam gehad een wat deftige club voor rijke mensen te zijn, waar je zo maar geen lid van kon worden.

In de algemene ledenvergadering van het jaar 1940, een moeilijk jaar voor de vereniging om meerdere redenen, uitte één van de aanwezige leden de beschuldiging, dat het bestuur bepaalde categorieën van mensen weigerde "als zijnde niet van standing". De inhoud van de aanklacht werd toen fel bestreden maar de lange naamlijst van bestuursleden toont wel aan, dat je om bestuurslid te worden in ieder geval wél behoorde - of moest behoren - tot de bovenmodale burgerij. Wie kon bovendien omstreeks 1900 de contributie van f 1.50 opbrengen, wanneer je daarbij bedenkt, dat het loon van een fabrieksarbeider zelden boven de tien gulden per week uitkwam en daar meestal onder zat.

Ook opvallend maar wel verklaarbaar is het naar verhouding grote aantal beroepsmilitairen, vijf van de twaalf, in het eerste bestuur. Als garnizoensplaats en stad van de K.M.A. is Breda voor haar maatschappelijk leven lange tijd verbonden geweest met de krijgsmacht.

Door de aanwezigheid van de twee rivieren de Aa of Weerijs en de Mark, die in die dagen nog niet zo netjes in mooie rechte en brede beddingen het Bredase doorkruisten, was het niet zo moeilijk, bij een beetje regen, ondergelopen weilanden te vinden, die in vorstperiodes als ijsbaan konden die­nen. Voor kwajongens was gebruik van zo’n clandestiene ijsbaan geen probleem, wel echter voor de deftige burgerij. Voor haar gaf het geen pas ongevraagd en zonder regels gebruik te maken van andermans terrein. Bo­vendien moest het ijs betrouwbaar zijn. Het oprichten van de “Vereeniging IJsvermaak” veronderstelde dus tegelijkertijd het verkrijgen en onder­houden van een terrein aan of in de buurt van een van de twee Bredase stromen.

De eerste ijsbaan in de Belcrum

Zaterdagmiddag 5 januari 1889 werd de eerste ijsbaan van de vereniging feestelijk geopend. De baan lag in de Belcrumpolder, vlak bij het Speelhuis, op het terrein, dat nu begrensd wordt door de Speelhuislaan, de Konijnenberg, de Crogtdijk en de van Rijckevorselstraat.

De grond was eigendom van de Kroondomeinen en kon bij hoge waterstand van de Mark via een verbindingssloot, onder water gezet worden. De aanduiding “bij het Speelhuis” is niet helemaal juist. In 1889 was het eigenlijke Speelhuis allang gesloopt maar werd de naam nog gebruikt voor de oude domeinhoeve, die als uitspanning, als café, werd gebruikt en voor veel Bredanaars als rustpunt diende op hun zondagse wandeling vanuit de stad.

Het Speelhuis zelf was een achthoekig kasteeltje of buitenplaats, omstreeks 1620 gebouwd door Prins Maurits. In 1824 was het gesloopt wegens verregaande staat van bouwvalligheid waarin het toen verkeerde. De domeinhoeve brandde af in 1917.

Bij wijze van opening werd op de ijsbaan een verenigingsvlag gehesen, die door de echtgenotes van enige bestuursleden was gemaakt. De vlag, die ter gelegenheid van het eeuwfeest is vervaardigd, is gemaakt naar het ontwerp van toen. Voor de leden en genodigden werd ter viering van de opening op maandagavond 7 januari een groot kunstmatig verlicht feest gevierd. Dat eerste seizoen hebben de leden al goed gebruik kunnen maken van de nieuwe baan. Op 17 januari vermelde de Bredasche Courant, dat na een korte periode van dooi de banen weer geopend waren.

De ijsbaan van de Belangenvereniging Belcrum

In 1918 kocht de gemeente Breda het gehele terrein van het voormalige Speelhuis, bestaande uit ongeveer zestig hectaren hakhout, wei- en akkerland, aan om het te gebruiken voor woningbouw en industrievestiging. Het stuk waar de oude ijsbaan zich had bevonden werd voorlopig nog niet in de bouwplannen betrokken.

In 1929 verzocht het gemeenteraadslid Meyvis aan Burgemeester en Wethouders het weiland opnieuw aan te wijzen voor de schaatssport. Na advies ingewonnen te hebben bij de directeur van Openbare Werken besloot het gemeentebestuur aanvankelijk nog daartoe niet over te gaan, maar toen een paar jaar later het verzoek herhaald werd door de Belangenvereniging Belcrumkwartier was de bereidheid groter.

In een brief van 28 september 1934 verzocht de vereniging aan de raad het terrein van de oude ijsbaan te mogen huren voor minstens drie winterseizoenen. Bij het verzoek zat een begroting en een kaartje met de ligging van de baan. De gemeente liet daarop door Openbare Werken een ontwerpovereenkomst en een werktekening maken met de benodigde technische aanpassingen en verhuurde bij raadsbesluit van 6 december 1934 voor f 290,- per jaar het terrein aan vier leden van de vereniging Belcrum.

De eerste verhuurtermijn beliep een periode van drie jaar, daarna met telkens een jaar te verlengen. Het perceel werd op kosten van de gemeente ingericht en geschikt gemaakt. Openbare Werken zou zorgen voor de jaarlijkse onderwaterzetting tussen 15 november en 1 maart. Zo kreeg Breda weer een eigen ijsbaan tot zijn beschikking.

De baan van IJsvermaak lag namelijk sinds 1903 niet meer in Breda maar achtereenvolgens in Princenhage en Ginneken. Tot in de Tweede Wereldoorlog bleef de samenwerking tussen gemeente en Belcrum goed verlopen. In de winter van 1943-1944 echter bleek de vereniging wegens de oorlogsomstandigheden niet meer in staat tot behoorlijke toezicht: de dijken werden, vooral door de baldadige activiteiten van de jeugd, steeds slechter en de gemeente had moeite met het onderhoud. Openbare Werken kreeg opdracht het water weg te laten lopen en in juli 1944 kwam het definitieve einde van deze tweede ijsbaan in de Belcrumpolder doordat de gemeente de overeenkomst opzegde.

De tweede ijsbaan in Boeimeer

De Boeimeer was de tweede polder, waar IJsvermaak in 1903 een terrein kon pachten ter inrichting van een ijsbaan. De precieze ligging is moeilijker te reconstrueren en aan te geven dan bij de eerste ijsbaan, omdat de omgeving, de loop van wegen en waterwegen, nogal ingrijpend is gewijzigd. De baan moet zich bevonden hebben binnen het gebied, nu begrensd door de Chopinlaan, Ockeghemlaan, Zuidelijke Rondweg, Boeimeerweg - waar huize Ruitersbos aan ligt en de Willem van Oranjelaan.

De toegang bevond zich hoogstwaarschijnlijk aan de oude Boeimeerweg ter hoogte van de aansluiting met de weg van Ginneken naar Princenhage. Dat stuk van de oude weg naar Princenhage heet nu Willem van Oranjelaan. De weilanden lagen op het grondgebied van de gemeente Princenhage. Ze werden bij onderhandse acte van 24 juni 1903 voor vier jaar gepacht van enkele particuliere eigenaren.

Aangezien het terrein niet onmiddellijk aan de Mark grensde moest het via een tamelijk lange verbindingssloot van water worden voorzien. Voor het eerst was daarbij sprake van een machinaal aangedreven pomp. De aandrijving geschiedde door wat genoemd werd een “gasmotor”, een explosie- of verbrandingsmotor, die gevoed werd met gas, dat weer verkregen werd door in een aparte generator hout turf of steenkool te verstoken. Voor heel die installatie was een houten bouwseltje nodig, te plaatsen op een klein stukje grond, direct naast de Mark. Het bestuur der Waterschappen van de Bovenmark gaf daar toestemming voor.

Evenmin als in de Belcrum heeft de ijsbaan in Boeimeer er erg lang gelegen. Al in 1905 gaven de eigenaren van het terrein te kennen na het verstrijken van de eerste termijn van het pachtcontract af te willen. Het bestuur van IJsvermaak heeft nog geprobeerd ze tot andere gedachten te brengen maar tevergeefs. Weer werd de vereniging gedwongen naar andere terreinen uit te zien, die met niet al te veel moeite en kosten konden worden gereed gemaakt als ijsbaan.

De derde ijsbaan bij Bouvigne

Een november 1907 liep het huurcontract van IJsvermaak met de drie eigenaren van het terrein van Boeimeer af. Aangezien aan het einde van het jaar 1905 al duidelijk geworden was, dat het zo zou lopen, had de toenmalige voorzitter Mr. Pels Rijcken contact opgenomen met de dienst der Staatsdomeinen over een terrein tussen de Duivelsbruglaan en kasteel Bouvigne.

Het was te huur voor een termijn van tien jaar voor een bedrag van f 210,- per jaar. Wel moesten er nogal wat aanpassingen aan het terrein plaatsvinden, zoals aanleg van dijken en egaliseren of vlak maken van de grond. De kosten daarvan werden geraamd op tweeduizend gulden. Zoveel geld had de vereniging niet, maar nu bleek het voordeel van een club met rijke leden. De Algemene Vergadering van 26 oktober 1906 keurde het voorstel van het bestuur goed om een obligatielening uit te schrijven voor een bedrag van tweeduizend gulden. Er werden veertig aandelen van vijftig gulden uitgegeven met een looptijd van tien jaar en een jaarlijkse rente van 4%. De plaatsing was snel geregeld: in de loop van 1907 kon aannemer Bakkeren voor f 2320,- de grond in orde maken. Voor de bemaling en de verlichting werden daarnaast een elektromotor en verlichtingsmateriaal aangeschaft bij de Nieuwe Electriciteit en Waterleiding Maatschappij te Ginneken, die ook voor de installatie ter plaatse zou zorgen.

De oppervlakte en vorm van het terrein, dat in 1907 van de Staatsdomeinen werd gepacht is tot in onze tijd grotendeels hetzelfde gebleven. Wel is in de loop der tijden op onderdelen wat gewijzigd door de aanleg van een ijshockeybaan, de bouw van een pomphuis, de bouw van Markendael en de kanalisatie van de Mark.

In de jaren zestig is er nog sprake geweest de baan tot aan de Duivelsbruglaan uit te breiden wegens de groei van het ledental. De eigenaar van het benodigde weiland, het Laurensziekenhuis, bleek tot medewerking bereid maar de pachter niet. Die was bang, dat door de jaarlijkse onderwaterzetting gedurende het winterseizoen de grond tien tot dertig procent minder zou opbrengen. De uitbreiding ging niet door.

De Groote Tent

Wanneer het ‘s winters vroor en de leden gebruik konden maken van de baan van hun vereniging was het gewenst, dat schaatsen in een beschutte ruimte aan- en afgebonden konden worden. Ook moest zo nu en dan de inwendige mens door spijs of drank versterkt kunnen worden. Met andere woorden: op of bij de ijsbaan was een club- of verenigingsgebouw nodig.

Voor de aanwezigheid van een onderkomen op de eerste baan in de Belcrum of de tweede in Boeimeer zijn geen bewijzen te vinden. Hooguit een aanwijzing. In 1909, toen de derde baan bij Bouvigne in gebruik genomen was, werd besloten tot verkoop over te gaan van wat genoemd werd “De Groote Tent”. Iemand had er f 775,- voor geboden. Uit het verslag van de bestuursvergadering van 12 juni van genoemd jaar blijkt, dat het ging om “garderobe en bestuurstent”, samen genoemd “de gebouwen van de vereeniging”. Een deskundige, die opdracht gekregen had de “gebouwen” te taxeren, vond het een prima bod en raadde aan het te accepteren. Nadat nog een poging was gedaan f 825,- te krijgen, veranderde de “Tent” definitief van eigenaar voor f 800,-.

Het motief om tot verkoop over te gaan was de slechte staat van het gebouw. Het eerste gebouw op de derde ijsbaan bij Bouvigne zal dus geen nieuw zijn geweest en moet bestaan hebben uit verplaatsbaar materiaal, waarschijnlijk hout. Het is niet onmogelijk, dat “De Groote Tent” ook al dienst gedaan heeft als clubgebouw op de tweede ijsbaan en misschien ook op de eerste.

Het Paviljoen

Toen in de bestuursvergadering van 2 oktober 1909 bevestigd werd, dat het oude gebouwtje verkocht was voor f 800,-, kwam tegelijkertijd een plan voor een nieuw gebouw ter tafel. Ontwerp en begroting waren al gemaakt. Besloten werd door aannemer Mol een nieuwe “Tent” te laten zetten voor een bedrag van f 3095,- Het contract met bestek en voorwaarden was al op 9 september daarvoor gesloten. Dit gebouwtje is het meest bekend geworden onder de naam Paviljoen of Paviljoentje van IJsvermaak en is voor enkele generaties Bredanaars en Ginnekenezen het symbool en herkenningsteken geweest van ijsplezier en IJsvermaak.

Het heeft bij de ijsbaan gestaan tot eind 1960. Toen was het nieuwe Markendael klaar en kon het worden afgebroken. Karakteristiek voor het buitenaanzicht waren de twee torentjes, het platte dak en het vakwerk van de buitenmuren. Binnen bevond zich een buffetruimte, een bestuurskamer en een garderobe.

De vereniging had nu een behoorlijk en ruim clubgebouw, maar steeds terugkerend probleem bleek al spoedig het feit, dat het gebouw de meeste tijd niet gebruikt werd. Alleen als de ijsbaan open was werd het paviljoen door leden en bestuur gebruikt. Buiten de vorstperiodes werden ook de algemene en bestuursvergaderingen elders gehouden, bij voorkeur in Café Moderne, de Beurs of “Zum Franziskaner”. De rest van de tijd stond het gebouw daar onbewaakt, niet geventileerd en onverwarmd.

Geen wonder, dat herhaaldelijk sprake was van herstelwerkzaamheden, noodzakelijk wegens de baldadigheid van de jeugd en het vocht, dat balken en vloeren deed rotten. Het bestuur meende een oplossing te vinden in verhuur aan andere verenigingen. In 1917 hadden voorzitter en secretaris het eigenmachtig verhuurd aan de voetbalclub Bredania. Een aantal leden, dat lid was van een concurrerende vereniging, protesteerde heftig en in 1919 werd de huur al weer opgezegd. Wat jaren later, in 1925, mochten de padvinders het voor onbepaalde tijd, voor een huur van twee gulden per week, gebruiken voor hun activiteiten. Wel kon met een maand de huur worden opgezegd, in geval de huurders toch niet bevielen.

Het onderhoud en het al of niet verhuren bleven steeds terugkerende discussiepunten op bestuursvergaderingen.

1940

In juni 1940 bleek de toestand van de vereniging, het terrein en het gebouw kritiek. Dat had, naast de algemene sfeer van ontmoediging als gevolg van de Duitse inval en overrompeling, een aantal andere tastbare oorzaken. De winter van 1939-1940 was streng geweest, met veel sneeuw, en had heel wat uitgaven aan baanvegers gevergd, terwijl de financiële toestand van de vereniging zeer slecht was. Er was dat boekjaar een nadelig saldo van f 282,- en er moest ook nog duizend gulden worden afgelost van een lopende lening. Door zeven ijsloze winters vóór die van 1939-1940 was het aantal leden en daardoor ook de contributieopbrengst drastisch gedaald bij gelijkblijvende gebruiks- en onderhoudslasten.

Daar kwam nog bij, dat in de meidagen van ‘40 terrein en gebouw door “vreemde militairen” waren gebruikt, die nogal wat vernielingen aan paviljoen en elektrische leidingen van de baan hadden aangericht. Met de vreemde militairen werden de soldaten van het Franse leger bedoeld, dat even het idee heeft gehad zich bij Breda, ten westen van de Mark, te weer te stellen tegen de Duitse opmars en daartoe de Bredase bevolking op zondag 12 mei dwong tot evacuatie van de stad.

De Franse legerleiding heeft door de snelle vorderingen van de Duitsers dat idee weer vlug laten vallen maar de sporen van de korte Franse aanwezigheid waren ook op het terrein van IJsvermaak achtergebleven. Het bestuur was door dit alles zo ontmoedigd, dat op de vergadering van 11 juni 1940 even het idee opdook de vereniging maar te liquideren. De gedachte werd snel de kop ingedrukt en vervangen door nieuw élan en maatregelen tot herstel.

De contributie voor een hoofdlid werd van vijf gulden op tweevijftig gebracht om de financiële drempel te verlagen. Een propagandacommissie werd in het leven geroepen, die in november van hetzelfde jaar al enige honderden nieuwe leden had geworven. In het seizoen 1939-1940 had het aantal hoofdleden 153 bedragen in november 1940 was het alweer 370. Er van uitgaande, dat elk hoofdlid gemiddeld twee bijleden meebracht bestond de vereniging eind 1940 uit meer dan duizend leden. Het bestuur werd ingrijpend gewijzigd door toetreding van vier nieuwe leden. Eén van de nieuwe mannelijke bestuursleden was Coen de Koning, Nederlands beroemdste schaatser uit de periode 1905-1920. Hij wordt éénmaal wereldkampioen, in 1905, driemaal nationaal kampioen en won in 1912 en 1917 de Elfstedentocht.

Wat het herstel betrof van terrein en paviljoen werd bij de provinciale commissie voor Herstel van Oorlogsschade een verzoek om vergoeding van reeds gemaakte kosten ingediend. Of die aanvraag is ingewilligd is uit de verslagen niet op te maken. Tijdens de discussies over de maatregelen om IJsvermaak er weer bovenop te helpen kwam ook de oude vraag terug of het niet beter zou zijn het paviljoen ‘s zomers te doen bewonen en exploiteren, zodat het beter bewaakt en gelucht zou kunnen worden en bovendien nog geld zou opbrengen.

Aan het einde van het oorlogsjaar 1944, wanneer Breda ondertussen bevrijd is, blijken weer herstellingen aan terrein en gebouw noodzakelijk. In hoeverre ze echter het gevolg waren van oorlogshandelingen is niet goed duidelijk. Na de Tweede Wereldoorlog vormde het gemeentebestuur van Ginneken geen belemmering meer voor een eventuele exploitatie van het paviljoen als Theehuis gedurende het zomerseizoen. Ginneken had in 1942 opgehouden te bestaan als zelfstandige gemeente. Verschillende plannen tot zomerexploitatie en bijbehorende verbouwing kwamen in de jaren 1945-1948 ter sprake.

Er werd zelfs een bouwcommissie in het leven geroepen, die plannen en kandidaatexploitanten op degelijkheid en betrouwbaarheid moest onderzoeken. Ook moest gekeken worden naar de financiële consequenties. Op het einde van 1948 leidde al deze moeite tot een overeenkomst met iemand, die al enige jaren bij opening van baan en paviljoen tijdens vorstperiodes de buffetexploitatie had, de heer Dames. Als tegenprestatie voor het recht van zomerexploitatie verplichtte hij zich gebouw en terrein met dijken, sloten en electrische verlichting in goede staat te houden. Zijn aanwezigheid in het zomerseizoen zou ook de schade als gevolg van de vernielzucht van de jeugd binnen de perken houden. De penningmeester rekende het bestuur optimistisch voor, dat de jaarlijkse besparing op onderhoudskosten minstens duizend gulden zou bedragen. In een latere schatting kwam hij zelfs op meer dan f 1.600,- uit!

De samenwerking met de eerste exploitant heeft echter niet de voordelen opgeleverd, die ervan verwacht werden. Er deden zich met name nogal wat financiële strubbelingen voor, die er tenslotte toe leidden, dat naar een nieuwe exploitant werd gezocht. Het werd Van Beek, voorheen caféhouder in België en Teteringen. Met deze tweede exploitant werd ook een tweede stap gezet in de ontwikkeling naar de huidige toestand. Had Dames bij de zomerexploitatie nog geen vergunning tot het verkopen van alcoholhoudende dranken, Van Beek had die wel, zij het, dat de drank- en vestigingsvergunning uitdrukkelijk gesteld werd op naam van IJsvermaak. Toen Van Beek met het verzoek kwam het paviljoen gedurende heel het jaar als gewoon café te mogen exploiteren werd hem dat nog geweigerd. Daarbij ging het duidelijk niet zozeer om de café-exploitatie als wel om de persoon van de exploitant.

In hetzelfde jaar 1958, dat met Van Beek het contract werd gesloten, trad het bestuur in onderhandeling met andere kandidaatexploitanten over veel grootsere plannen.

Markendael

Uit het voorgaande is duidelijk, dat onderhoud en beheer van het paviljoen voor het bestuur altijd een zware last zijn geweest, alleen al door het simpele feit, dat het gebouwtje te weinig gebruikt werd en daardoor gemakkelijk ten prooi viel aan baldadige jeugd en de omhoog kruipende vochtigheid van het drassige terrein.

Tijdelijke verhuur aan andere verenigingen, na de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld een paar seizoenen aan Sprint en ook weer aan de padvinders, bleek geen definitieve oplossing. Er moest gezocht worden naar andere vormen van gebruik en beheer.

Het eerste stapje in die richting was gezet door de toestemming tot zomerexploitatie aan Dames, die al de winterexploitatie had tijdens vorstperiodes. De tweede stap werd gezet in de periode van Van Beek: het schenken van alcoholische dranken, naast andere, in de zomer, zodat het paviljoen in die maanden in niets verschilde van andere aan de bosrand gelegen cafés.

De derde stap werd voorbereid in dezelfde periode van Van Beek en betekende, zoals we zullen zien, het ontstaan van een volwaardig café-restaurant, niet meer in eigendom of beheer van IJsvermaak maar van een particulier, los van de vereniging, die in ijsperiodes nog contractueel verplicht was tot enige tegenprestaties, maar die met steeds meer tegenzin leverde, daar het nu niet meer op de eerste plaats ging om de belangen van de leden van IJsvermaak maar om de rendabele exploitatie van een horeca-instelling.

Tegen het einde van de vijftiger jaren bestond het paviljoen bijna een halve eeuw en de toegenomen exploitatie maakte een grondige verbouwing of vernieuwing steeds meer gewenst. Iets dergelijk ging echter de financiële middelen van IJsvermaak te boven en noodzaakte het bestuur naar andere wegen te zoeken. Al in 1946 was bij het bestuur een uitgebreid verbouwingsplan besproken voor een bedrag van f 40.000,-. Hero en Drie Hoefijzers werden daarbij als geïnteresseerde geldschieters vermeld.

Het plan was echter nog niet goed genoeg uitgewerkt en de financieringswijze te vaag en onzeker. De wens was bij een aantal bestuursleden al te zeer de vader van de gedachte geweest. De meerderheid was nog niet zover en voorlopig werd het paviljoen uit eigen middelen opgeknapt en tot de al genoemde beperkte zomerexploitatie over gedaan.

Gedurende het jaar 1958, waarin Van Beek de toestemming tot zomerexploitatie had gekregen, trad het bestuur serieus in onderhandeling met verscheidenen andere kandidaatexploitanten en kwamen de nieuwbouwplannen in een stroomversnelling terecht.

Architect Th. van den Meiracker, bestuurslid van IJsvermaak sinds de algemene vergadering van 1955, was aan het werk getogen, - in wiens opdracht is niet in de verslagen terug te vinden -, en kwam met een uitgewerkt nieuwbouwplan, dat in een speciale bestuursvergadering op 20 maart 1959 uitgebreid werd besproken. De kosten, inclusief aanleg van de verwarming en de verlichting werden op f 110.000,- geraamd. Voor de financiering zou nu een andere brouwerij, Heineken, willen instaan.

Het plan was deze keer zo grondig en serieus, dat opnieuw een bouwcommissie in het leven werd geroepen, bestaande uit Van den Meiracker en twee andere bestuursleden. Opdracht was alle voorbereidende gesprekken te voeren en maatregelen te nemen, die een goede afloop van het plan mogelijkzouden maken.

Nog elf bestuursvergaderingen, zeven in de loop van 1959 en vier in 1960, werden aan de nieuwbouw gewijd. Op de algemene vergadering van 20 november werd de leden verteld - er waren er maar zeven aanwezig - dat de heer Van den Meiracker in het afgelopen verenigingsjaar op het idee was gekomen ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan een nieuw paviljoen te realiseren.

Begin 1960 waren alle voorbereidende besprekingen en werkzaamheden beëindigd. Van de Staatsdomeinen was door IJsvermaak 3000 m2 van het terrein van de ijsbaan gekocht en de rest in erfpacht verworven. De 3000 m2 werden aan de uiteindelijke bouwer van het nieuwe paviljoen E.J. Adank, in eigendom overgedragen. De gemeente had een bouwvergunning afgegeven. Dat was nog even onzeker geweest daar het stadsbestuur aanvankelijk van plan was op de terreinen tussen Bouvigne en de Duivelsbruglaan een sportcomplex met vijf velden aan te leggen.

Gelukkig voor IJsvermaak bleek de grond voor de aanleg van sportvelden veel te drassig. Op 22 april ging de eerste spade de grond in en binnen een jaar, op 18 maart 1961 werd Markendael geopend door oud-bestuurslid van IJsvermaak, Mr. E.H. Toxopeus, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken. IJsvermaak had nu zijn nieuwe paviljoen. Het oude vertrouwde paviljoentje was gesloopt en de verwachting was nu, dat de leden bij vorstperiodes onderdak konden vinden in een goed onderhouden en beheerd gebouw.

Al spoedig bleek echter dat de belangen van IJsvermaak en de eigenaar van een café-restaurant op zo’n prachtige plaats gelegen aan de rand van Markdal en Mastbosch niet of nauwelijks parallel konden lopen. Uitgerekend op Eerste Kerstdag van het eerste winterseizoen na de opening van de nieuwbouw ging de ijsbaan open en was de exploitant-eigenaar contractueel verplicht de parterre van het paviljoen te ontruimen en ter beschikking te stellen aan de ijsclub. Dat ging dus niet en het bestuur, dat wegens de invallende vorst had zien aankomen, dat de baan wel eens met Kerstmis open zou gaan, had al goed gevonden, dat tijdens de Kerstdagen de zaal niet beschikbaar gesteld hoefde te worden als gezorgd werd voor een noodaccommodatie voor de schaatsers.

Die werd gevonden in de befaamde poffertjeskraam van Van Twist. Van een noodaccommodatie is door de eigenaar daarna iedere keer gebruik gemaakt. Eerst nog enkele malen van de poffertjeskraam, daarna van tenten, die door de exploitant op zijn kosten werden gehuurd bij de firma Havermans in Zundert. Het bestuur legde zich ieder winterseizoen min of meer gedwongen bij deze noodoplossing neer. In de vergadering van 13 januari 1964 kwam het al tot de conclusie, dat de belangen van IJsvermaak en Markendael te veel uiteen waren gelopen.

Vanaf dat moment begon een nieuwe periode van plannen maken, ofwel om het nieuwe paviljoen aanzienlijk uit te breiden, zodat IJsvermaak én Markendael tijdens ijsperiodes onderdak konden hebben, of om de noodaccommodatie een permanenter karakter te geven. Alle plannenmakerij werd achterhaald door de eerste brand van Markendael in de nacht van 11 op 12 januari 1972.

Klein Markendael

Het inwonen van IJsvermaak tijdens vorstperiodes in een café-restaurant was onmogelijk gebleken. Vandaar dat in de onderhandelingen met degene, die in 1974 de afgebrande resten van Markendael kocht, de gedachte boven kwam drijven, naast het nieuw te bouwen café-restaurant een apart gebouwtje met een vloeroppervlak van omstreeks 120 m2 neer te zetten ten behoeve van IJsvermaak, met toiletten, een loketruimte annex bestuurskamer en een wat grotere ruimte voor consumpties. Zo zouden de belangen van beide belanghebbenden tijdens ijsperiodes gehandhaafd kunnen blijven.

Het café-restaurant was al gereed in april 1975 maar “Klein Markendael” ook te bouwen op kosten van de nieuwe eigenaar, liet langer op zich wachten. Pas in oktober 1975 werd met heien begonnen. Het gebouwtje was gelukkig glasdicht en verwarmd, dus bruikbaar, toen reeds op 19 december van dat jaar de ijsbaan open ging.

Op 1 september 1976 ging alles opnieuw in vlammen op. Bij de wederopbouw in 1977 is het idee van de scheiding tussen Markendael en Klein Markendael gehandhaafd. Het idee was waardevol gebleken.

In de voorafgaande hoofdstukjes over de geschiedenis van IJsvermaak is nauwelijks iets te lezen geweest van dat gedeelte van de vereniging, waar eigenlijk alles om draait: de duizenden leden.

Hun aanwezigheid op het ijs is vanzelfsprekend vanaf het moment dat de baan open is. Minder vanzelfsprekend was en is hun aanwezigheid op de algemene ledenvergaderingen, die statutair jaarlijks worden gehouden en die het hoogste besluitorgaan van de vereniging vormen. Heel de periode van honderd jaar was de opkomst allerbedroevendst. Zelden of nooit waren er, naast de bestuursleden, meer dan tien andere leden. Verschillende malen moest de voorzitter zelfs constateren, dat geen enkel gewoon lid aanwezig was en de bestuursvoorstellen dus automatisch aangenomen waren.

Eén algemene vergadering vormde daarop echter een uitzondering: die van 9 november 1964. Meer dan 100 leden waren komen opdagen, zowel sympathisanten van het bestuur als aanhangers van degenen, die in het verslag van die vergadering worden aangeduid als de oppositiegroep van hardrijders. Het voorafgaande winterseizoen was de baan veel open geweest en de hardrijders waren van mening, dat zij letterlijk en figuurlijk te weinig ruimte hadden gekregen. Daar was nog de ongelukkige affaire bij gekomen van mishandeling van een bestuurslid door een hardrijder, die daarop door het bestuur geroyeerd was.

Vooral bij de verkiezingen voor het bestuur werd het spannend. Het ging om vier kandidaten: drie herkiesbare bestuursleden en één nieuwe kandidaat van het bestuur. Tegenover hen stonden vier tegenkandidaten. De drie herkiesbare leden werden met een krappe meerderheid herkozen, de vierde, de nieuwe kandidaat van het bestuur, haalde het niet. Na de vergadering ebde de beroering weer snel weg. De hardrijdersgroep organiseerde zich weliswaar in 1965 tot de aparte vereniging Ballengrud maar de samenwerking met IJsvermaak is altijd goed gebleven. Andere voorbeelden van woelige ledenvergaderingen zijn niet te vinden.

De conclusie zou getrokken kunnen worden, dat in de honderd jaar van het bestaan de meer dan honderd leden van het bestuur het naar de mening van de duizenden leden goed gedaan hebben. De conclusie is misschien wat eenvoudig en snel getrokken maar een feit is wel, dat de leden lid zijn om te kunnen schaatsen en niet om te vergaderen.